K4 Kindermishandeling


Logok4_klein     home | bureaudoelstelling | cv | kindermishandeling 'n visie | vroegsignalering | onderzoek | publicaties | blogs ster| |links | contact | bestellen




Vroegsignalering en vroegopsporing

Vroegsignalering en vroegopsporing van kindermishandeling vindt niet wezenlijk anders plaats dan in de cyclus onderzoek, diagnostiek en risicotaxatie van kindermishandeling. Het vindt met name vroeger plaats, eerder in de keten. Vroegsignalering en -opsporing van kindermishandeling verschuift daarmee naar de zuigelingenzorg.
Vroegsignalering begint met een eerste gevoel van 'niet pluis' of een eerste vermoeden van kindermishandeling. Het idee dat de kinderen 'hier in de knel komen te zitten'. Dit niet-pluis-gevoel kan het resultaat zijn van een systematische screening middels het DMO protocol door de Consultatie Bureau (CB) verpleegkundige, of spontaan ontstaan op grond van de eigen professionele ervaring en intuÔtie.
De vraag is dan hoe je dat gevoel, dat vermoeden, kunt bevestigen of ontkennen.
Vroegsignalering of vroegopsporing gaat over de methode waarmee een vermoeden op het intuÔtieve vlak kan worden onderbouwd tot een gegrond vermoeden van kindermishandeling of het tegendeel daarvan.
Ook vroegsignalering en vroegopsporing behoren te worden gekenmerkt door een systematische, methodische manier van signaleren, observerenen en onderzoeken. Het vertrekpunt dient ook hier te zijn een visie op kindermishandeling die klinisch wetenschappelijk gegrond is (zie aldaar). Een risicotaxatie die het eigen oordeel structureert dient te behoren tot ieders professionele standaard.


Bijzondere aandacht voor de groep "hulpmijders" is nodig.

In de totale populatie van kindermishandeling zien we een verloop van gemakkelijk toegankelijke problematiek, die overwegend van pedagogische aard is, naar problematiek die vrijwel ontoegankelijk is vanwege de aard van de persoonlijkheden van de ouders. We spreken in dat verband van hulpvragers en hulpmijders.
De overgrote meerderheid van methodieken en instrumenten die in Nederland in gebruik zijn, zijn ontworpen voor de grootste categorie van hulpvragers. Vrijwel steeds gemotiveerd vanuit de epidemiologische wet van Geoffrey Arthur Rose die zegt dat die gezondheidsbevorderingsstrategie die op de totale bevolking gericht is, het meest effectief is. Met het doorvoeren van die wet, hoe rationeel het ook lijkt, in het gezondheidsbeleid (en hetzelfde geldt voor het opvoedkundige beleid) is het zicht verloren gegaan op dat deel van de populatie waar de grootste risico's op kindermishandeling bestaan: de hulpmijders. Dat is geen bijzonderheid in de epidemiologie, eerder een wetmatigheid. Het is met die wet immers de bedoeling de gezondheid van de populatie als geheel te dienen, niet om aandacht te geven aan 'die relatieve kleine groep' die een extra groot risico loopt (10.000den gevallen van kindermishandeling waarvan er zo'n 40 tot 80 aan overlijden per jaar.)
Ook in een onderzoek dat in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw plaatsvond in Rotterdam naar de effectiviteit van het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker met behulp van periodiek uitstrijkjesonderzoek, blijkt dat de groep die het meest risico loopt niet komt opdagen voor onderzoek. Zij hebben een laag ontwikkelingsniveau, nemen geen informatie tot zich over dit onderzoek, vermijden de informatieve rubrieken in de media en blijken ook nog eens te behoren tot die vrouwen die relatief veel wisselende seksuele contacten hebben. Daarmee wordt later begrijpelijk dat het de kenmerken zijn van dťze hulpmijdende groep die bepalen dat juist deze groep meer baarmoederhalskanker vertoont.

Bij de populatie kindermishandeling speelt een soortgelijk probleem: de meeste strategieŽn richten zich te zeer op de totale populatie in plaats van zich te richten op dat deel waar de risico's vooral zitten. De vraag daarbij is natuurlijk ook: hoe doe je dat?
Het deel van de populatie, dat met de gebruikelijke strategieŽn onbereikbaar is, is tevens de groep waar het grootste risico bestaat op kindermishandeling.
Er is een strategie ontwikkeld om de blik te richten op deze risicovolle groep: zie Een beknopte inleiding in de methodiek van vroegsignalering, onderzoek, diagnostiek en risicotaxatie voor de hulpverlener.
Deze methode is op elk niveau van deskundigheid bruikbaar.


Het devies moet zijn dat we aan het kind voorbij kijken naar de ouders op de eerste plaats.

Hun persoonlijkheid en onderlinge relatie (1), de kwaliteiten van de ouder-kind relaties (2), het gezinssysteem op zich, intergenerationeel en sociaal (3) en tenslotte de status en ontwikkeling van het kind in biologisch, psychologisch en sociaal opzicht (4). Dat diagnostisch inzicht, ook al is het nog zo onvolkomen, toetsen we aan de lijst met evident van belang gebleken factoren voor kindermishandeling (5) als in de CARE-NL. Een soort mini-CARE-NL.
Daarna spreken we ons uit over de mate van gegrond zijn van ons vermoeden, over de lacunes in ons inzicht, de geconstateerde of verwachte risico's, recidiefkansen, de mogelijkheden en onmogelijkheden (haalbaarheid) ter ondersteuning van dit specifieke gezin.
Natuurlijk moeten we dan weten hoe we naar deze ouders moeten kijken, naar de kwaliteiten van de ouder-kindrelaties en de andere hoofdstukken van onderzoek. Beknopte overzichtelijke informatie vindt u in de tekst: Een beknopte inleiding in de methodiek van vroegsignalering, onderzoek, diagnostiek en risicotaxatie voor de hulpverlener.


Samenvatting

Men vertrekt vanuit zijn intuÔtie, al dan niet ondersteund door een screeningsinstrument (DMO). Elke professioneel, in de nulde, eerste, tweede of derde lijn, dient daarna de blik 'aan het kind voorbij' te richten op de ouders op de eerste plaats. Doorheen de vier genoemde hoofdstukken wordt een integrale visie op de situatie van het kind nagestreefd. Met een strategie die te zeer en te eenzijdig op het kind gericht is komt hij of zij niet verder.
Ten behoeve van dit proces van onderzoek, diagnostiek en risicotaxatie bij vroegsignalering en vroegopsporing beschreef ik voor het project Samen Starten (binnen de Operatie Jong in de Gemeente Breda) deze methode. Deze werkwijze maakt het voor de hulpverleners (vanaf de nulde lijn) mogelijk om een vermoeden van kindermishandeling te gronden. En daarop de volgende stappen te plannen, zorgvuldig en weloverwogen.


Na jaren 'vraaggericht werken' moet er nu bijgestuurd worden.

'Vraaggericht werken' miskent de (tijdelijke) onmacht van de cliŽnten, de betekenis van de professionele expertise en het samenlevingsbelang. 'Vraaggericht werken' is de laatste decennia de voortdurende 'waan van de dag' geweest waarnaar het hele veld zich heeft gevormd. Ontwikkeling rondom de privacy, protocollering en juridisering zijn daarbij van invloed geweest. Hulpmijders zijn in die tijd gemakkelijk aan de noodzakelijke aandacht ontkomen. Scholing en gerichte training (op alle niveaus van deskundigheid) zijn daarom noodzakelijk om zich deze methodiek eigen te maken. Ook op instellingsniveau zal men zich moeten scholen om zich bewust te worden wat dit voor de instelling betekent.

K4Kindermishandeling biedt scholingen en trainingen op maat en advies bij beleidsontwikkelingen inzake kindermishandeling.