K4 Kindermishandeling


Logok4_klein     home | bureaudoelstelling | cv | kindermishandeling 'n visie | vroegsignalering | onderzoek | publicaties | blogs ster| |links | contact | bestellen




Een beknopte inleiding in de methodiek van vroegsignalering, onderzoek, diagnostiek en risicotaxatie voor de hulpverlener.

K4 Kindermishandeling

  • Vroegsignalering;
  • Onderzoek;
  • Diagnostiek;
  • Risicotaxatie;

Bureau voor de ontwikkeling van expertise en implementatie op voornoemde gebieden.
Ten behoeve van scholing en beleidsontwikkeling.

Paul Pollmann, expert inzake kindermishandeling.
pmpollmann@planet.nl
www.k4kindermishandeling.nl




Inhoud

Inleiding

Figuur en tabel 1: De populatie kindermishandeling.

Toelichting bij hulpmijders.

Tabel 2: Diagnostiek en risicotaxatie.

Tabel 3: “Good enough”.

Dossier aanleggen en conclusies trekken.

Bijlage: model notitieformulier voor bij casusbesprekingen.


Inleiding

Deze beknopte inleiding in de methodiek voor vroegsignalering, onderzoek, diagnostiek en risicotaxatie inzake kindermishandeling is bedoeld voor de hulpverlener en andere professionelen en die met kinderen te maken krijgen.
Niet van iedereen mag en hoeft verwacht te worden dat die in staat is vast te stellen dat er sprake is van kindermishandeling of zelfs maar kindermishandeling te diagnosticeren.
Die taak, het onderzoeken en diagnosticeren van kindermishandeling, is door de overheid toegewezen aan het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). Het AMK heeft daartoe van die overheid ook zeer bijzondere bevoegdheden gekregen die onontbeerlijk zijn om dat werk goed te kunnen uitvoeren. Zo mogen zij zonodig tegen de wil van mensen in of buiten hun medeweten onderzoek naar hen doen. Die bevoegdheden hebben natuurlijk alles te maken met de kwetsbare en afhankelijke positie van het kind. Zo kan het AMK zonodig ook de bron van informatie of de melder anoniem houden voor het betreffende gezin.
Maar, al heeft niet iedereen een taak daarin zoals het AMK die heeft, wel heeft iedereen een verantwoordelijkheid tegenover een kind waarvan hij of zij vermoedt dat het mishandeld of verwaarloosd wordt. In het bijzonder zij die een professionele verantwoordelijkheid dragen voor kinderen, zoals artsen of onderwijzers.

Bijgaande tabellen bevatten de richtlijnen voor een systematische en methodische manier van onderzoeken en diagnosticeren bij een vermoeden van kindermishandeling. Ze zijn vooral bedoeld om ons te helpen om ons vermoeden van kindermishandeling te onderbouwen. Een vermoeden, dat misschien niet meer is dan een niet-pluis gevoel, een vermoeden op grond van onze intuïtie. Dat te bevestigen door het te onderbouwen of het door onderzoek te ontkennen, daarover gaat het hier.

Kindermishandeling is een symptoom van ernstige gezinspathologie.
Het gaat er vooral om dat we onszelf in staat stellen om een integrale visie te ontwikkelen op dit gezin waarvoor wij deze zorgen voelen. De natuurlijke neiging van de hulpverlener die problemen op wil pakken om ze op te lossen moet dan soms even worden bedwongen; we moeten de onderzoeker in ons de kans geven het onderzoekswerk te doen. Om zo tot een goed gefundeerde aanpak van het integrale probleem te komen. Kindermishandeling moet gezien worden als een symptoom van ernstige gezinspathologie.

Een van de valkuilen waar we in kunnen stappen is onze eigen empathie. Juist in de categorie mensen bij wie veel ernstige kindermishandeling voorkomt, de hulpmijders, zijn er vele die ons bij de arm nemen en om de hete brij heen leiden.
Een goed omschreven methode van onderzoek die leidt tot een conclusie (diagnose) en die de grote lijnen aangeeft voor een ‘(be)handelplan’, kan ons, mits we daar op een systematische manier gebruik van maken, daarvoor behoeden.

Over professionaliteit en de gewone risico’s van het vak.
Waarvoor precies moeten wij behoed worden?
Op de eerste plaats voor onze eigen natuurlijke behoefte als hulpverlener om te helpen, om vraaggericht te willen (moeten) werken, om achter de patiënt (ouders) te willen blijven staan, om handreikingen te doen en problemen (te helpen) oplossen. Die natuurlijke behoefte kan ons beletten een goed onderzoeker te zijn.
En we moeten behoed worden voor de natuurlijke behoefte van ‘hulpmijders’ om ons van het probleem weg te houden, ons daar geen zicht op te gunnen. Sommigen kunnen, als aspect van hun persoonlijkheid(sproblematiek), uitstekend manipuleren.
Als hulpverleners komen we in enkele gevallen voor de volgende keus te staan:
Willen we als hulpverlener achter onze cliënten (vaak denkt men dan aan de ouders, mede gezien hun rechten) blijven staan, of moeten we ons meer als kinderbeschermers opstellen. Dat laatste betekent dat we meer van de ouders moeten eisen dan een hulpverleningsrelatie soms verdraagt. We voelen aan dat daar een spanning op kan komen staan. Dat is geen prettige situatie maar die kunnen we toch niet ontlopen. Het is een reëel conflict in onszelf, tussen de hulpverlener in ons die niet verder kan op deze manier met deze ouders, en de belangenbehartiger van de kinderen die een keuze ter bescherming van hen moet maken. Systematisch en methodisch, op een heldere manier verkregen conclusies en plannen, helpen ons die beslissing te nemen. Het is aan de instelling, als je daarvoor werkt, je daarin te steunen. Als het niet lukt de ouders te motiveren kan er een klacht volgen. Dat hoef je jezelf niet te verwijten maar behoort, als je je werk naar behoren hebt gedaan, tot de gewone risico’s van het vak. Dit volgt uit de aard van de problematiek van kindermishandeling, gezien; als symptoom van ernstige gezinspathologie.

De hier aangeboden methodiek helpt erbij dergelijke moeilijke keuzes op de best mogelijke manier te maken.

Paul Pollmann




Figuur en tabel 1: De populatie kindermishandeling
(voorgesteld als een rechthoek), verlopend van Hulpzoekers (linker overgrote deel) naar Hulpmijders (smalle strook van door derden bij AMK gemelden, rechts).
grafiek amk

Hulpvragers: Hulpmijders:
Links melden zich mensen met een hulpvraag. Ze zien er reden toe, voelen lijdensdruk, schuld, schaamte, en zijn bereid zich te laten raden. Ze willen ‘hun les leren’ en hebben de intentie en de mogelijkheid deze te integreren in hun persoon, zich de les eigen te maken om er dan zelf mee verder te kunnen. Zij wenden zich tot de hulpverlening of zijn er gemakkelijk toe aan te zetten dat te doen. ‘Gewone gezonde neuroten’ met vermogen tot zelfreflexie en integratie‘. Rechts worden mensen gemeld door derden. Onder hen méér mensen met een zwakkere gewetensontwikkeling, minder warmte, inlevingsvermogen en empathie, méér persoonlijkheidsgerelateerde symptomen, méér primitieve weerstanden, slechtere reality testing en integratievermogen, méér psychopathie en narcistisch agressieve, borderline en antisociale persoonlijkheidskenmerken, méér impulsiviteit, gewelddadigheid en alcohol- en drugsproblematiek, intergenerationele en relationele problemen met geweld, méér mensen met een strafblad, enzovoorts

Toelichting bij 'hulpmijders'.

De mensen uit deze categorie komen we natuurlijk ook, en soms zelfs vaak, tegen bij de 'hulpvragers', alleen presenteren ze zich niet met de betreffende problematiek van kindermishandeling. Of ze stellen het anders voor (Munchausen by proxi) of ze komen voor iets anders. Ze presenteren zich dus bij uitstek níet als de ouders die moeite hebben met de opvoeding van hun kinderen of die zich daarin onzeker voelen, of zelfs schuldig en schaamtevol omdat ze van mening zijn dat ze het verkeerd aanpakken. Dat 'vermijdende', 'ontkennende', of 'loochenende' betekent dus een extra toename van het risico op kindermishandeling (zie tabel 1 hoofdstuk 1 risicotaxatie punt 'h'.)
De kwestie is alleen dat we die loochening, die ontkenning en dat vermijden pas kunnen constateren als we hen op de een af andere manier ons vermoeden van een probleem voorleggen, want zonder dat vermoeden zien we slechts een klant met een vraag. Meer niet. Het is dus onze intuïtie, ons 'niet-pluis gevoel' of een toevallige informatie of ontdekking, die ons op het spoor zet.
Vanaf dat moment moeten we systematisch en methodisch proberen onze waarnemingen, onze observaties en ons onderzoek doorheen de vier hoofdstukken zoals in tabel 2 genoemd, te doen.
We zijn dan duidelijk bezig 'aan het kind voorbij' naar de ouders, de ouder-kind relatie en het systeem te kijken. Dat is de belangrijkste opmerking die ik wil maken: als we kindermishandeling willen gaan zien moeten we aan het kind voorbij naar de ouders op de eerste plaats leren kijken.
Het is goed om als professioneel die met en voor kinderen en hun ouders werkt daarin een routine te ontwikkelen. We hebben het dan over het ontwikkelen van een integrale visie (doorheen de vier hoofdstukken). Met het ontwikkelen van een integrale visie op kinderen (in de knel) in hun situatie maakt de professioneel zich minder afhankelijk van losse signalen van kindermishandeling. Want welke en hoeveel betekenis moet hij/zij daaraan hechten? Die signalen zijn allen aspecifiek en daarom moeilijk een duidelijke betekenis te geven als het erom gaat uit te vinden of we hier nu moeten spreken van kindermishandeling of niet. Er is slechts op een manier uit te komen: door systematisch onderzoek en op methodische wijze een integrale visie op de situatie van het kind te ontwikkelen en daaraan een inschatting te verbinden van de risico's, de recidiefkansen en de risicohantering (mogelijkheden en beperkingen, beschermende factoren, indicaties en contra-indicaties voor diverse vormen van hulp). Op grond daarvan bepaalt u dan welke uw verdere stappen zullen zijn.

Opmerking: de ervaring, maar ook het wetenschappelijk onderzoek, leert, dat dit proces van onderzoeken en wikken en wegen, waken en wagen, aanmerkelijk betere resultaten oplevert als u dat in samenspraak doet met een ander. Die ander hoeft niet noodzakelijkerwijs de betreffende casus persoonlijk te kennen. Wel moet die de systematiek en methodiek van het 'wikken en wegen' kennen uit tabel 2.


Tabel 2: Diagnostiek en risicotaxatie.

Diagnostiek; om te komen tot een gegrond vermoeden van kindermishandeling.

Bij de diagnostiek gaat het om medisch psychiatrische diagnostiek, systeem- en kinddiagnostiek. Op elk niveau voor elke professioneel deskundige op de eigen wijze. Bij de risicotaxatie toetst de hulpverlener zijn/haar diagnostisch inzichten nog eens aan de evident van belang gebleken items uit de internationale onderzoeksliteratuur (kolom hiernaast) alvorens zich uit te spreken over de inschatting van risico's, recidiefkansen en risicohantering.

Risicotaxatie.

Dit hoofdstuk Risicotaxatie is dus eigenlijk het vijfde hoofdstuk van de methodiek van onderzoeken en kijken naar kindermishandeling; dit vijfde hoofdstuk loopt parallel aan de vier voorafgaande en kan er dus naast gezet worden. Zo groeperen zich de evident van belang zijnde risico-items als aandachtspunten naast de diagnostische hoofdstukken).

1. De persoonlijkheden van de ouders en hun onderlinge relatie (zie ook tabel 3).

De persoonlijkheid van de ouders staat als eerste hoofdstuk genoemd vanwege de prioriteit die het heeft. Uit onderzoeks-literatuur blijkt overduidelijk dat we 'aan het kind voorbij' naar de ouders moeten leren kijken als we ons zorgen maken om de situatie van het kind. De ouders zijn bij uitstek de personen die bepalen of een kind veilig is, of het warmte en bescherming krijgt, of niet. De hulpverlener gebruikt zijn/haar kennis en vaardigheid om zich een gegronde indruk te vormen omtrent de persoonlijkheden van de ouders en hun onderlinge relatie.Gewoon op het niveau waarop u het in de dagelijkse praktijk hanteert.

De persoonlijkheden van de ouders en hun onderlinge relatie; risico-items:
  1. hebben ouders hun kinderen al eerder mishandeld, verwaarloosd of misbruikt?
  2. zijn ouders zelf in jeugd mishandeld of verwaarloosd?
  3. is er sprake van een psychische stoornis bij de ouders, nu of in het verleden? B.v. een depressie (postnataal), een psychose, waandenkbeelden e.a.;
  4. heeft een van de ouders/verzorgers ooit openlijk geweld of agressie getoond of suïcidepoging gedaan of zijn ze daar in gedachten mee bezig?
  5. gebruikt of gebruikte een van de ouders drugs of alcohol/medicijnen?
  6. is in de persoonlijkheid van de ouders sprake van een stoornis gepaard gaande met agressie/impulsiviteit /instabiliteit of zijn ze daar eerder voor behandeld?
  7. bagatellisering of loochening van kindermishandeling;
  8. negatieve houding ten opzichte van interventies (hulpmijders!);
  9. seksueel gewelddadig gedrag;
  10. welke (trans)culturele factoren bepalen het mishandelend ouderlijk gedrag mede? B.v in sommige culturen is slaan met een riem 'n 'normale'; manier van begrenzen van gedrag.
2. De kwaliteiten van de ouder- kind relaties (zie ook tabel 3).

Hier valt zeer veel over te zeggen, maar vertrouw vooral op uw gezonde gevoel en ervaring in een gerichte waarneming om u een indruk te vormen van de kwaliteiten van deze relatie. Probeer wel om deze waarneming geen gemakkelijke oppervlakkige waarneming te laten zijn. Neem concreet waar en bespreek uw waarneming met een collega. Zo komt u tot de zorgvuldigste formulering van wat u waargenomen hebt.

De kwaliteit van de ouder-kind relatie; risico-items (zie ook tabel 2):
  1. problemen met kennis (cognitief) over de opvoeding van kinderen, opvoedingsvaardigheden en/of attitudes;
  2. negatieve opvattingen ten aanzien van het kind ("dit kind huilt alleen maar om mij wakker te houden");
  3. problemen in de interactie tussen ouder en kind (onregelmatigheid van contact, schreeuwen, afwezigheid of lage frequentie van affectie, grapjes, knuffel).
3. Het gezinssysteem op zich, intergenerationeel en maatschappelijk gezien.

Het betreft de evenwichten en posities binnen het gezin, de dynamiek en de structuur (open ongestructureerd, open gestructureerd, gesloten ongestructureerd, gesloten gestructureerd) en de inbedding in vrienden- en familiekring en maatschappij.

Het gezinssysteem op zich, intergenerationeel en maatschappelijk; risico-items:
  1. gezinsstressoren (life events, zelfs positieve gebeurtenissen);
  2. sociaal-economische stressoren;
  3. ontoereikende sociale steun;
  4. relationeel geweld.
4. De bio-, psychologische en sociale status en ontwikkeling van het kind

Hier combineert de eerste lijn de bevindingen van het eigen onderzoek aan het kind met die van het consultatiebureau, school of andere relevante deskundigen of professionelen.

De bio-, psychologische en sociale status en ontwikkeling van het kind; risico-items:

kwetsbaarheidverhogende kenmerken van het kind, b.v. kinderen onder de zes jaar of kinderen met een kwaal.

[1] De items zijn afkomstig uit de conceptversie van de Child Abuse Risk Evaluation, Nederlandse versie (CARE-NL). De CARE-NL is een risicotaxatie-instrument voor de complexe situatie van kindermishandeling, dat door het Trimbosinstituut ontwikkeld is door professor C. de Ruiter en drs. E.de Jong. De AMK medewerkers worden erin getraind middels een tweedaagse cursus; de gezinscoach kan de lijst items uit de CARE-NL gebruiken bij het vormen van een 'gegrond' vermoeden van kindermishandeling wanneer hij bij een kind een 'niet-pluis'; gevoel heeft. In de CARE-NL worden alle items uitgebreider beschreven.


Tabel 3: "Good enough" criteria
(Winnicott)

Het gaat er hierbij vooral om de betekenis van deze eigenschappen van de ouder(s) voor de kwaliteit van de relatie met hun kind juist in te schatten. Dat daarbij het belang van de leeftijd van het kind en de ontwikkelingsfase waarin het zich bevindt, door de eerste-lijnsmedewerker juist moeten kunnen worden beoordeeld, spreekt voor zich. Bij twijfel vraagt men een deskundige collega in consult en ook dan helpt dit lijstje met aandachtspunten om uw consultvraag to the point / te formuleren. Neem voor uzelf altijd een beperkt tijdsbestek in acht waarbinnen u duidelijkheid wil hebben, b.v. twee maanden.
  • warm, liefdevol in bejegening zijn;
  • het hebben van inzicht in en rekening kunnen houden met leeftijdgebonden mogelijkheden van het kind;
  • emotioneel betrokken zijn;
  • geduldig zijn;
  • structuur (kunnen) bieden;
  • leiding (kunnen) geven;
  • voorspelbaar zijn;
  • een goed identificatieobject zijn;
  • het hebben van invoelend vermogen
  • moet kunnen begrenzen;
  • geen extreme stemmingswisselingen;
  • geen misbruik maken van machtspositie;
  • continuïteit in zorg bieden
En bij dat alles nagaan:
  1. intensiteit;
  2. chroniciteit;
  3. niet-corrigeerbaarheid.

Dossier aanleggen; schema voor registratie in dossier.

Een dossier kent een chronologische opbouw en conclusies tussentijds, en een eindconclusie.
De chronologische opbouw bestaat uit de achtereenvolgende binnenkomende berichten, acties en terloopse afspraken.
Van tijd tot tijd echter (bij evaluaties/teamoverleggen, overdracht, verwijzing e.d.) of op belangrijke beslismomenten in een casus formuleert men een (voorlopige) conclusie of stand van zaken.
Een schema daarvoor is in tabel 4 gegeven; nu eenvoudig als vijf opeenvolgende hoofdstukken.


Tabel 4: Een schema voor dossiervorming.
1. Persoonlijkheden van de ouders en hun onderlinge relatie.

Hier beschrijft je in je eigen termen de persoonlijkheden van de ouders. Als je van andere deskundigen nadere persoonlijkheidsdiagnostiek van de ouders hebt ontvangen, vermeld je die hier ook met de bron.
Zo'n beschrijving kan er bijvoorbeeld als volgt uit zien:

Moeder heeft weinig geduld en kan zich maar moeilijk concentreren, zowel in onze gesprekken als in mijn waarnemingen van haar met de kinderen. Ze is nogal opvliegend en heeft snel ruzie. In de buurt heeft dat scheldpartijen en vechten geleid. Moeder is zich daarvan goed bewust maar ze is nogal impulsief en kan zich niet beheersen, zegt ze zelf. Ze erkent ook geen geduld te hebben met de kinderen. Ze heeft geen echte vriendinnen en maar incidenteel contacten met haar familie. Wat ze bij anderen zoekt is 'lol maken'; zoals ze zelf zegt.

NB: Wat we uit de buurt gehoord hebben (de ruzies), hebben we moeder voorgelegd en zij heeft daar direct of indirect mee ingestemd. We kunnen het dus gewoon als feitelijkheid noteren met de toevoeging 'zegt ze zelf'. Het kan voorkomen dat moeder erop terugkomt en eist dat die opmerkingen uit het dossier geschrapt worden. Het is van belang dat niet te doen maar in plaats daarvan haar verzoek of eis te noteren in het dossier als een inkomend bericht. De mate van radikaliteit waarmee moeder ontkent haar eerdere opmerkingen gemaakt te hebben (die wij toen toch uit haar mond noteerden) bepaalt ons oordeel over deze aktie van moeder: is dit ontkenning vanuit de behoefte te willen nuanceren wat er nu zo zwart op wit staat, of is het een radicale loocheningen van feiten door moeder. Het hebben van deze meer ontwikkelde of meer primitieve weerstanden zegt ons iets over de aard en de structuur van haar persoonlijkheid. Het is dus van belang haar verzoek tot schrappen niet te honoreren maar haar bezwaren wel nauwkeurig te bevragen en toe te voegen.

De vader is een persoon die bij voorkeur de conflicten uit de weg gaat. Hij heeft een duivenhobby en doet met enkele anderen aan vliegtuig spotten. Hij is weinig in het gezin actief en ook weinig aanwezig.

Als dit is wat je hebt, is het meteen duidelijk dat er nog heel wat informatie meer zal moeten worden verzameld van deze ouders. Tenminste noteer je de vragen die rijzen naar aanleiding van de tabel 2, tweede kolom. Daarnaast hanteer je de bronnen rondom dit gezin heen, huisarts, buurtnetwerk e.d. Dan, daarna, ga je een gesprek aan dat je systematisch langs alle nog op te helderen punten voert. Bij een kop koffie kun je met de juiste gesprekstechniek, en vaak op een directe manier, veel te weten komen. Als de situatie thuis te onrustig is en niet beheersbaar genoeg voor een goed gesprek, regel je iets op kantoor. Je maakt altijd ook een bewuste keuze of je hen samen wilt spreken of apart. Ook gesprekken over de persoon van de ouders zijn niet altijd geschikt voor de kinderen om erbij te zijn. Zelfs al zijn de kinderen niet anders gewend dan kan het een symbolische actie van jouw kant zijn daar nu nadrukkelijk niet voor te kiezen. Het gaat er maar om dat je bewuste keuzes maakt hoe je je onderzoek wilt vormgeven. Zeker dit onderdeel kan gemakkelijk gemanipuleerd worden door de ouders.

2. De kwaliteiten van de ouder-kind relaties.

Eigen observaties en die van anderen, zijn hier een belangrijke bron voor informatie.
Een kindje van een half jaar waarmee je geen behoorlijk oogcontact kunt krijgen, is of blind of heeft zich nooit aan de blik van moeder kunnen hechten. Als moeder in het gesprek nou ook de neiging heeft steeds maar naar je voorhoofd te kijken in plaats van haar ogen over je hele gezicht te sturen en frequent oogcontact te maken, dan heb je in ieder geval een observatie gedaan om vast te leggen. De betekenisverlening komt later wel. We moeten het op de eerste plaats opmerken, én opschrijven. ("Ik kan geen oogcontact maken met het kindje, kan ook geen glimlach op haar gezichtje veroorzaken, niet door vriendelijk te praten, noch door rustig en op voldoende afstand te bewegen en geluidjes te maken) (moeder maakt non-verbaal een afwijzende en ontwijkende indruk, ze maakt weinig tot geen oogcontact terwijl ze me wel vanuit de ooghoeken observeert. Ze antwoordt redelijk adequaat op mijn vragen")
Vader is met jou in gesprek en dat is voor hem natuurlijk ook een belangrijk gesprek maar als hij van die honderd keer dat zijn dochtertje, dat naast hem zit te tekenen en zijn aandacht vraagt, niet eenmaal adequaat reageert, is dat iets om op te merken en op te schrijven en eventueel om op door te vragen of hem welbewust de gelegenheid te bieden op haar vraag te reageren. Je observeert en vraagt verder.
Gedurende al die tijd heb je de items van hoofdstuk 2 uit tabel 2 en de items uit tabel 3 in je hoofd en stelt daarover vragen. ("vader is zeer in ons gesprek betrokken; hij lijkt in het geheel niet in de gaten te hebben dat zijn dochter aanhoudend zijn aandacht vraagt. Ook als ik hem de ruimte geef zijn aandacht op zijn dochter te richten, doet hij daar niets mee dan zeggen dat hij nu even geen tijd heeft". "Het kind toont geen teleurstelling en gaat daarna ook gewoon door met dezelfde manier van aandacht vragen: tikt hem op zijn mouw en zegt gedempt 'Papa, papa'. Zonder dat het iets oplevert")
Bij het noteren van je conclusies in je dossier combineer je de gegevens uit dit eigen onderzoek met de informatie uit andere bronnen. Als je deze vader aan tafel hebt en weet dat hij, op 'bevel'; van moeder dit kind op de grond drukt en sambal in de mond stopt, omdat ze niet wil eten, en de ouders hebben dat ook nog eens bevestigd, dan kun je met behulp van hoofdstuk 2 uit tabel 2 en 3 een goed verantwoorde en duidelijke conclusie formuleren. Deze conclusie verwerk je in hoofdstuk 5, de risicotaxatie.
En als er duidelijk vragen overblijven (en dat is hier het geval) formuleer je de vragen om die in het verdere verloop van de behandeling van de casus beantwoord te krijgen.

3. Het gezinssysteem op zich, intergenerationeel en maatschappelijk.

Uit een eerdere relatie heeft vader nog twee kinderen, die door zijn ex regelmatig bij hem gedropt worden. Hij is niet in staat om met haar tot een gestructureerde omgangsregeling te komen; de kinderen zijn jonge tieners en komen en gaan als het hen of hun moeder invalt.
Moeder heeft ook een ex maar daarmee geen kinderen. Desondanks heeft ze nog wel contact met hem en wel voornamelijk om ruzie te zoeken.
Moeder slaat vader (de politie beschikt zelfs over foto's van de blauwe plekken en kneuzingen die ze hem met een staaf had toegebracht), soms rollen ze vechtend door het huis waar de kinderen bij zijn. Moeder dwingt vader de kinderen te straffen en hij doet dat. Het zijn wrede straffen, hardvochtig en sadistisch.
Ouders liggen vaak zeer lang in bed en niemand zorgt dan voor de kinderen.
Behalve die ex-en hebben ze weinig andere contacten maar door hun gedrag weten wel veel mensen van hen.
Zijn familie heeft met hem gebroken toen hij voor deze vrouw koos en zij is door haar familie uitgekotst zoals ze het zelf zegt
(dit kan zo worden genoteerd, bij voorkeur in deze bewoordingen, tussen aanhalingstekens).

4. De bio-, psychologische en sociale status en ontwikkeling van het kind.

Beide kinderen zijn jong en dus verhoogd kwetsbaar. Het beschreven gedrag en de observaties bij beide kinderen roepen vragen op aangaande hun gezondheid en ontwikkeling. CB, huisarts eventueel samen met de kinderarts zullen daar na onderzoek meer over kunnen vertellen. Tot zover valt vooral op dat de kinderen weinig of niet aan artsen en andere hulpverleners zijn gepresenteerd. Ook dat noteren we. Tevens hebben we observaties over hoe ze er uitzien, de verzorgingssituatie, hygiëne, adequate en verzorgde kleding, contact, enzovoorts.

5. De risicotaxatie; soort risico's, recidiefkans risico's en risicohantering (3 x r).

De risicotaxatie is eigenlijk een samenvattend verslag van de voorgaande vier hoofdstukken om te concluderen:

  • De risico's zijn:

Verregaande affectieve verwaarlozing, verregaande pedagogische verwaarlozing, psychische en lichamelijke mishandeling met uitgesproken wreedheid, blootstelling aan presentatie van geweld aan anderen aangedaan. Met wat we weten in het algemeen en van deze kinderen in het bijzonder moet het risico hiervan voor ontwikkeling in psychosociaal en lichamelijk opzicht als groot worden ingeschat.

  • De recidiefkans voor deze risico's:

De stand van zaken van het onderzoek is nog niet van dien aard dat uit onderzoek positief blijkt dat ouders uit de aard van hun persoonlijkheid(structuur) ten ene male niet in staat zijn om zich in te leven in hun kinderen of in 'de ander'. Van warmte en empatisch vermogen lijkt in hen echter niets aanwezig. Hun gedrag is dusdanig dat geconcludeerd mag worden dat ze geen kennis en inzicht hebben in wat de behoeften van kinderen in de leeftijd van hun kinderen zijn. Noch zijn ze op hun kinderen betrokken. Ook inzicht over de eisen die gesteld mogen worden aan opvoeden, lijkt hun niet eigen. Ze zijn beiden geen figuren die leiding kunnen geven of voor kinderen ook maar enigszins betrouwbaar en berekenbaar zijn. Ze zijn volstrekt onvoorspelbaar.
Hoewel dus niet uitputtend is onderzocht dat de ouders in hun persoonlijkheidsopbouw hiermee volledig genoeg gekarakteriseerd zijn suggereert het onderzoek tot nu toe toch wel heel sterk dat het hen in hun structuur niet gegeven is over deze eigenschappen te beschikken. De kans op herhaling moet dan ook als heel groot worden ingeschat. Dit geldt voor alle afzonderlijke risico's bij de eerste stip genoemd.

  • Risicohantering:

Waar in ons onderzoek een structureel ongezonde en ernstig bedreigende situatie voor deze zich ontwikkelende jonge kinderen, bijzonder duidelijk naar voren komt, is over de acute bedreiging en risico's niet echt onderzoek gedaan. Bijvoorbeeld is verzuimd in het contact te vragen naar alcohol en drugsgebruik; ook weten we niet of moeder tegenover haar kinderen ook direct agressief en gewelddadig is. Ook weten we niets concreets over hun financieel economische positie.
Wel is duidelijk dat directe hulp en aandacht voor deze kinderen nodig is, bescherming ook. De kansen of zij hulp in huis (dichtbij de kinderen) willen accepteren is nog niet ter sprake gebracht.
De inschatting is echter dat het hen niet zal meevallen om hulp ook daadwerkelijk te profiteren. Het suggestieve beeld van hun persoonlijkheden lijkt er niettemin op te duiden dat ze hooguit enkele dingen kunnen aanleren maar onvoldoende gestructureerd en gemotiveerd zullen blijken te zijn om dit in hun persoonlijkheid en levenswijze te integreren. En dan blijft staan dat het geen liefdevolle warme, empathische en betrokken ouders zijn.
De voorlopige conclusie luidt dan ook dat het niet mee zal vallen om de ouders én bereid te krijgen hulp te accepteren én in staat te achten een hulpaanbod tenslotte ook in persoon en leven te kunnen integreren.

En als je je dan tot zover hebt uitgesproken is de vraag wat je dan vervolgens besluit te doen .... Het hangt ervan af waar in de keten je je bevindt. Voor mij lijdt het geen twijfel dat deze casus gemeld zou moeten worden bij het AMK.

De opbouw van het dossier kent in ieder geval naast de stroom van berichten over gebeurtenissen, acties en afspraken, die achtereenvolgens worden genoteerd, ook momenten van bezinning waarbij de balans wordt opgemaakt in deze vijf hoofdstukken.
Zo wordt vanzelf ook duidelijk wat er aan het onderzoek nog ontbreekt.
Ook dwing je jezelf met deze systematische methode tot een uitspraak te komen over de risico's, herhalingskansen en dus over je professionele plicht van hulpverlener om te (her)bezien op welke manier je wel of juist niet hulp kan bieden. Hulp die beantwoorden moet aan de behoeften van het kind. En zo niet ... dan moet je dus iets anders.

Paul Pollmann

Bijlage: model notitieformulier voor bij casusbesprekingen.

Download formulier t.a.v. onderzoek, diagnostiek en risicotaxatie.